Met plezier bewegen op niveau

Indoor sporten

Er zijn tal van indoorsporten, waaronder (zaal)voetbal, basketbal, volleybal, handbal, korfbal, tennis, squash, badminton en tafeltennis. Al deze sporten hebben hun eigen specifieke kenmerken. Zo is de basketballer vooral aan het dribbelen en draaien (pivoteren), terwijl de volleybalspeler vooral shuffelt en springt.

Niet alleen  de regels van de sport bepalen de bewegingen die gemaakt worden. Ook de grootte van het veld spelen mee. Zo is bij korfbal het speelveld een stuk kleiner dan bij basketbal. De sporter zal daarom bij korfbal een andere beweging maken om zijn tegenstander te kunnen passeren dan bij basketbal.

Bij basketbal en volleybal komen vanwege zwikken vaak enkel- en knieblessures voor, terwijl bij voetbal vooral  voet- en enkelklachten vaak voorkomen.

Zaalvoetbal

Zaalvoetbal is een zaalsport, een zaalvariant van het voetbal. De sport wordt ook wel futsal genoemd, een woord dat is afgeleid van de Spaanse woorden 'futbol' (voetbal) en 'sala' (zaal). Futsal of zaalvoetbal wordt gespeeld in een sporthal met een plofbal. Dit is een voetbal van maat 4 die bijna niet stuitert. Er wordt vijf tegen vijf gespeeld voor een periode van twee maal 25 minuten. De sport kent eigen regels en de grootte van het speelveld is net als bij handbal ongeveer veertig bij twintig meter.

Basketbal

Deze wedstrijdsport werd  in 1891 (opnieuw) uitgevonden door James Naismith in de Verenigde Staten. Oorspronkelijk was het een Amerikaanse mannensport, maar het huidige basketbal wordt op elk continent door zowel mannen als vrouwen beoefend. De sport wordt gespeeld door twee teams van elk vijf spelers en een aantal wisselspelers. Doel van het spel is de (ronde) bal te veroveren en deze door een ijzeren ring te werpen en te verhinderen dat de tegenstander hetzelfde doet. Deze ijzeren ring wordt de basket genoemd en heeft een doorsnede van 45 centimeter.

Volleybal

Bij volleybal is het speelveld verdeeld in twee gelijke delen, gescheiden door een net. Beide teams, die elk uit zes spelers bestaan, bevinden zich op hun eigen helft en proberen de bal door slaan of tikken op het tegenoverliggende deel van het speelveld binnen de lijnen op de grond te krijgen. Een geslaagde poging of een fout van de tegenstander levert een punt op. Wie het eerst 25 punten heeft behaald wint de set. Wie het eerst drie sets heeft gewonnen, wint de wedstrijd. Bij een gelijke stand (2-2) wordt bij de senioren een beslissende set tot vijftien gespeeld.

Handbal

Handbal is een balsport die zijn oorsprong heeft in Denemarken. Daar werd in 1904 de eerste handbalfederatie gesticht. Het was toen nog een heel ander soort spel, waarvan de grote lijnen zijn overgebleven. Tegenwoordig wordt handbal gespeeld door zes spelers en een ) per team. Op een veld van veertig meter lang bij twintig meter breed met aan beide kanten een doel van twee bij drie meter. Bij jongere spelers is het doel kleiner. Het spel gaat snel heen en weer en de spelers zijn afwisselend verdediger en aanvaller. Doelpunten scoort men door de bal in het doel van de tegenstander te werpen. De bal mag gespeeld worden met ieder deel van het lichaam, behalve met het deel van de benen onder de knie. Doelpogingen mogen vanaf iedere plaats op het veld plaatsvinden, maar men mag de grond in het doelgebied en de bijbehorende lijnen (cirkel) niet aanraken. Wel mag men bij de doelpogingen  in het doelgebied springen of vallen en dient men ervoor te zorgen dat de bal de hand verlaten heeft voordat men neerkomt op de grond.

Korfbal

Korfbal is een van oorsprong Nederlandse sport, in 1902 bedacht door de Amsterdamse onderwijzer Nico Broekhuysen. Het spel is gebaseerd op het Zweedse ringboll, waarmee Broekhuysen in Zweden in aanraking kwam. Kenmerkend voor korfbal is dat het een van de weinige teamsporten is die gemengd wordt gespeeld wordt, dus met een team bestaande uit zowel mannen als vrouwen. Korfbal is een balsport met één bal die door een korf moet worden geworpen. Het veld is veertig bij twintig meter verdeeld in twee helften, waarbij de spelers niet uit hun vak mogen treden. Elk team heeft een korf die op een hoogte van 3,5 meter aan een paal hangt. Het team dat de meeste doelpunten maakt wint. Een geldig doelpunt wordt gemaakt door de bal van bovenaf door de korf van de tegenpartij te werpen.

Mogelijke blessures

Tijdens het beoefenen van sport worden veel explosieve bewegingen gemaakt, waarbij de kans op blessures groot is. Veel blessures aan voet, enkel, knie, heup  of rug kunnen ook voortvloeien uit een afwijkende voetstand en gangpatroon.

Vaak hebben sporters echter een afwijkende voetafwikkeling. Dat kan een oversupinatielanding, een onderpronatie, een overpronatie, een hiellanding en een voorvoetlanding zijn. Elke afwijking betekent een extra belasting van  de voeten, enkels, knieën of onderbenen.

Bij een afwijkende voetstand/gangpatroon zijn blessures een veel voorkomend probleem tijdens het sporten. Maar ook O-benen, X-benen, holvoeten en/of een bekkenscheefstand/beenlengteverschil kunnen de oorzaak zijn van veel blessures. Omdat tijdens het sporten veel meer kracht op de voet, enkel, knie, heup en rug inwerkt, kunnen  klachten ontstaan die tijdens het normale bewegen niet voorkomen. Veel sporters zijn zich er niet van bewust dat zij een afwijkende voetstand/gangpatroon hebben en lopen vaak te lang te door met een steeds terugkerende blessure.

Veel van deze klachten kunnen door het dragen van goed schoeisel en/of bijvoorbeeld steunzolen, taping maar ook  goede voorlichting voorkomen en verholpen worden. De podotherapeuten van Penders Voetzorg kunnen u hierbij helpen.

Sportschoeisel

Er zijn een aantal eisen waaraan een goede (sport)schoen moet voldoen:  

Schokdemping om krachten op enkels, voet, knieën en heupen te absorberen.

Hoe meer er gesprongen wordt, hoe harder de ondergrond en hoe zwaarder de landing, des te belangrijker het schokdempend vermogen van de schoenen is. Het schokdempend vermogen wordt grotendeels bepaald door de dikte en hardheid van de tussenzool. Welke dikte en hardheid vereist is, hangt onder andere af van het lichaamsgewicht. Het loop- en landingspatroon is minstens zo belangrijk. Een sporter die relatief licht is maar hoge stappen maakt en lomp landt, heeft een schoen nodig met net zoveel dempend vermogen als een zware sporter die minder opveert tijdens het lopen en een meer elastische landing vertoont. Kortom: is een sporter zwaar, dan is het goed om extra stil te staan bij de demping van de schoen.

Stabiliteit en steun om schuiven en zwikken te voorkomen.

Na het strikken van de schoen moet de hiel zo goed omsloten zijn dat er aan weerszijden geen vinger meer naast past. De hielkap moet zo hoog zijn dat deze de gehele hiel omvat. Tijdens het lopen mag de hiel niet in de hielkap op en neer schuiven.

Voldoende grip tegen uitglijden.

Een fijn profiel geeft de volleyballer de meeste grip en het beste contact met de bodem. Uit onderzoek blijkt dat een draaipunt in de zool de wendbaarheid amper vergroot: zo’n draaipunt is dus niet essentieel.

Ruimte voor een steunzool

Goede sportschoenen hebben een los binnenzooltje. Dat is zo nodig te vervangen door een steunzool.

Feeling met de ondergrond

Het type ondergrond stelt specifieke eisen aan de grip (profiel, noppen) en de schokdemping (tussenzool). Voor volleybal, basketbal en korfbal in een zaal zijn indoorschoenen geschikt.

Optimaal draagcomfort

  • De lengte: Er moet een halve tot hele centimeter ruimte zijn tussen de langste teen en de neus van de schoen, zodat de voet ruimte heeft voor een goede afwikkeling. Sporters die veel wend- en keerbewegingen moeten maken, hebben de neiging om juist voor strak zittende schoenen te kiezen, omdat deze stevigheid bieden. Te strakke schoenen zullen echter snel uitlopen, waardoor de stabiliteit afneemt.
  • De breedte:De voet moet op alle plaatsen goed omsloten worden, ook om de voorvoet. Als de voet voor in de schoen gaat schuiven, ontstaan blaren. Met behulp van een vetersluiting (kruislings rijgen) kunnen de schoenen op verschillende plaatsen in verschillende mate worden aangetrokken. Klittenband en snelbindingen zijn makkelijk in gebruik, maar bieden minder mogelijkheden voor het aanpassen van de schoen aan de vorm van de voeten.
  • De hielkap: Na het strikken van de schoen moet de hiel zo goed omsloten zijn dat er aan weerszijden geen vinger meer bij past. De hielkap moet zo hoog zijn dat hij de gehele hiel omvat. Tijdens het lopen mag de hiel niet in de hielkap op en neer schuiven.
Deel |

Download brochure Sport en vrije tijd

In dit themaboekje hebben wij alle belangrijke informatie rondom dit thema gebundeld in een handig PDF document. Download het boekje nu.

Download

Bel mij voor een afspraak

Wilt u een afspraak maken? Druk dan op de knop en vul het formulier in. Een van onze medewerkers belt u dan terug op een tijdstip dat het u gelegen komt.

Bel mij